|
De karper kan tot 110 cm. lang worden. Een karper is herkenbaar aan zijn twee korte baarddraden op de bovenlip en twee lange baarddraden in de mondhoeken. In de natuur kan een karper 30-40 jaar oud worden, ze worden zelden meer dan 35 kilo.
De karper woelt de bodem om als hij op zoek is naar eten, door het gewoel in de bodem ziet men, afhankelijk van de soort bodem, trossen kleine of grotere luchtbellen opstijgen.
Er bestaan meerdere gekweekte karperrassen met ieder hun eigen typische lichaamsvoorm. De karper is geen roofvis.
|
|
Van de karper bestaan diverse vormen; volschub spiegelkarper, goudkarper, wilde- of boerenkarper, schubkarper, edel- of spiegelkarper, rijenkarper, leder- of naaktkarper.
Voor gekweekte exemplaren wordt de naam schubkarper gereserveerd, deze zijn vaak hoger en breder van bouw. Gekweekte karpers hebben voor tachtig procent wit vlees.
In de kop van Noord-Holland en de Zaanstreek komt een wilde karpersoort voor; de boerenkarper, gekenmerkt door een torpedovormig lichaam, een eindstandige bek en bleke vinnen. De wilde karpers wijken af van andere soorten doordat het vlees over het hele lichaam rood van kleur is.
|